is toegevoegd aan je favorieten.

Inleiding tot de kennisse der natuurlyke wysbegeerte.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

g<J Over. de Harde Lichamen.

ben , by aldien gy gezegd hadt , dat men in den ichoot der Natuure geen groote Klompen aantreft, welke van aart volmaakt Harde Lichamen

zyn. Dat 'er volmaakt Harde Lichamen,

fchoon niet zo groot van uitgebreidheid , dat zy onder het bereik van onze Zintuigen vallen kunnen , wezenlyk bedaan , is hoogd waarfchynlyk ; en naar myn' gedachte te zoeken in d'eerde grondflagen , anders gezegd in dc zuivere Elementen

der Lichamen. Deze Zeifdaudigheden zyn,

gelyk ik u voorheen geleerd heb, van dien aart, dat zy voldrekt eenvouwig , of niet famengefteld zyn , en daarom door geene mogelyke kracht van den anderen in deelen kunnen worden gefcheiden.

L. Ik bevat uwe meening niet wel. —* Het

Vuur, Water, enz. kunnen onder de Elementen, volgens het voorig Geleerde gebragt worden. —, Zyn deze Lichamen niet bekwaam om van den

anderen gefcheiden te worden ? Kan men

een Water-klomp niet in verfcheide andere verdeden ?

M. Men kan zulks wel verrigten ; maar daarom fcheid men de Elementen noch niet van één. — Men verdaat immers door de Elementen , de ondeelige Deeltjes, uit welke een Klomp Water, Vuur , enz. is famengedeld. — Deze te famen vereenigd , formen eenen Klomp , welke verfcheide poriën heeft; - De eerde oorfpronglyke famendellende Deeltjes, of eerde Elementen zyn zodanige Lichamen , welke uit geen Deelen famen-