is toegevoegd aan uw favorieten.

Inleiding tot de kennisse der natuurlyke wysbegeerte.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zonder Veerkracht» «27

zelve, het genoemd Lichaam vooruit zal flosten , en over zulks noodzaken met grootere fnelheid voort te gaan , als wel dat zelvde Lichaam voor de Botzing uit zichzelfs had.

M. De vertraging van het fneller Lichaam zal niet geheel zyn ; maar hetzelve zal nog een zeker overmaat van fnelheid overig hebben ; — Het is met deze overmaat dat het zichzelfs, en het voorde Lichaam in dezelvde dreek van de linker naar de rechtehand zal voortbewegen. Maar hoe groot is nu deze overmaat, of de gemeene fnelheid, waarmede beide de Lichamen na

de Botzing gefamentlyk zullen voortgaan? .

Volgens het evengemeld Voordel is dezelve gelyk aan de kleinfte gegeven fnelheid, met de helft van de betrekkelyke fnelheid te famen genomen.

De waarheid hiervan is klaar. Nademaal

beide naar eene zelvde dreek heen bewegen, zal de betrekkelyke fnelheid zyn gelyk aan 4 graden.

L. Ja toch. Gy hebt my bladz. 18. ge¬

leerd, dat in dit geval, de betrekkelyke fnelheid is,

als bet verfchil der volftrekte fnelheden. • De

voldrekte fnelheden zyn volgens uwe vooronderftelling als 8 en 4 graden, waarvan het verfchil 4 graden ontdekt word , als men het kleinde van het grootde aftrekt.

M. Nu! van de 8 graden fnelheids worden 'er 4 door het agterde Lichaam bedeed, om, na de ontmoeting zich by het voorde Lichaam , "t welk flegts met 4 graden eigen fnelheid voortbeweegd, vereenigd te houden. P 2 L,