is toegevoegd aan je favorieten.

Inleiding tot de kennisse der natuurlyke wysbegeerte.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

224 Over de Perssinc

foort van Lichaam ; dat is, in de meerdere of min* dere geflotenheid der poriën , of in de mindere of meerdere digtbeid ( denfïtas ) der doffen.

L. Ik begryp de waarheid hier van, uit het geen gy my meermalen heot doen opmerken. -— Het eene foort van Lichaam isdigter in-een gefloten (betrekkelyk deszelfs famenflellende deeltjes) dan het andei ; over zulks kan liet eene foort onder gelyke uitgebreidheid een meerder getal Mofjes

bevatten , dan een ander foort. Dit is gewis

dereden, waarom een getal flofdeeltjes van een Klomp Lood met een gelyk getal van een Klomp Kurk , even zware Gewigten hebbende, men de Klomp van het Lood merkelyk kleiner zal bevinden , dan die van de Kurk : namenlyk om geen andere reden , dan , om dat het Lood digter vau famenflelling, als de Kurk , welke veel losfer en yler is.

M. Zeer wel aangemerkt. De reden van

het verfchil der uitgebteidheden dier genoemde flof klompen is alleen te zoeken in het verfchil der digtbeid.

Dit leerd ons dan , dat het verfchil der foortelyke Zwaarte alleen af hangd van de meerdere of mindere digtbeid der Lichamen.

L. Ja toch. - De foortelyke zwaarte van een Lichaam is altoos als dc digtbeid van hetzelve.

M. Weshalven men hieruit kan opmaken, dat de benaming van digtbeid cn foortelyke zwaarte, van gelyke betekenisfe zyn ; en uit dien hoofde

is