is toegevoegd aan uw favorieten.

Inleiding tot de kennisse der natuurlyke wysbegeerte.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

▼an een Rievier ; en de ondericü. Benam. 4jf

tot aan D moeten uitftrekken , mits D laager legge als A; anderzins zou me» genoodzaakt zyn nog hooger op te gaan, tot men een punt gevonden heeft, dat hooger gefield is , als D : - in alle deze gevallen zal het Vlak van famenkoppeJing dc waart, de levendige Boden zyn.

Om deze redenen is het, dat het Water in de holte tusfehen A en B bevat, zich niet beweegd over de waare Bodem , want het punt G voorby fchietende , fluit het tegens de hoogte in B , tn diensvolgens kan het niet ongefloort afvloeijcn.— Insgelyks is de uitgeftrektheid van B naar E, en van D naar F niet de levendige Bodem, wegens de ryzing in D en in G , en zo wyders beneden» waards. - Dus is de levendige Bodem, over welke het Water ongehoord heen vloeid, eigenlyk de gekoppelde hellende Vlakken AB , B D , DG.

L. De waare of levendige Bodem is derhalven niet anders, da» ingebeelde Vlakken, welke in de Natuur eigenlyk niet beftaan.

M. Dit flem ik niet toe. - Alhoewel iets denkbeeldigs is , heeft het egter grond in de Natuur, gelyk ik u zulks zal doen zien. — Het Water tusfcheu de twee verhevenheden A en B; B en D D en G vullen de holte ACB; — BED ; en DFG, even eens als zulks (om zo te fpreken) met Zand gefchieden zoude, formende dus eene oppervlakte ABDG, of Bodem , waar over het ftroomend , cn levendige Water heen glyd.

I», Hos