Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

K.RANSJE VAN

Zij ftiet de vleijer van zig heen ,

Ach kon zij fier van hart,

O. k van zig zeiven zijn te vreen

Zij voeld de Boezem (mart , '

Ach kon zij! maar — ïrat Za] zy doenr

Zij zelf voeld reeds de liefde woén

In 't hart, in 't hart, in 't hart. '

Toen floeg vrouw Venus godlijk fchoon , .

Terwijl de min haar plaagt,

Haar lonkende oogjes op Adoon,

Tot wien zij liefde draagt;

Het was een Herder fris en kloek ,

Gelijk God Mavors uit de broek

Cegioeit, gegroejt, gegroeit.

Fluks liep zij zonder wagten heen

Na 't fpiegel, om zig daar

Wat mooi en netjes aan te kleên,

Zij krult en poeijert haar;

Zij trekt een fchoon wit jakjen aan,

Om na Adonis toe te gaan,

In 't veld, in 't veld, in 't veld.

Zij vond hem zitten in zijn tent,

En fprak hem aldus aan:

o Herder gij die kruide kent,

Ach wild eens met mij gaan!

En toon mij aan wat bloem en kruid

De heete minnevlammen fluit,

Ik brand, ik brand, ik brand.

Hij

Sluiten