Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

thans handele over het tweede deel der Gelaatkunde , waar door men in ftaat is de vatbaarheid of zwakheid, de loomheid of fnelheid des verftands te leeren kennen.

Daar my niets aangenaamer zyn kan, dan dat ik aan uwe genegenheid ouTte hooren voldoe, is eevenwel deeze taak, welke gyl. verlangt dat ik verhandde, zoo ongemakkelyk en zoo weinig bewerkt, dat ik zelf met veele moeite naauwlyks in ftaat ben om 'er u eene oppervlakkige fchets van te geeven. De moeilykheid van dit werk fchynt hier in voornaamelyk te beftaan, dat dc werkzaamheid van een fchrander verftand, en de werking van het zelve op het lighaam zo groot niet is , als die heevigheid, welke de gemoedsneigingen en beweegingen naar buiten doet uitbarften. Deze is| de reeden, waarom een gerust en ftildenkend gemoed weinig zigtbarc teekenen heeft, behalven die geene , welke de oogen en het gelaat aantoonen , en welke wy te voorcn even aangeroerd hebben. Zeer vlugge verftandcn , even gelyk zeer traagc, welke in een dier beide uiterftens vallen, zyn zeer ligt aan nooit misfende teekenen te kennen: maar die, welke de middelmaattusfchendeezebeiB 5 den

Sluiten