Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN JOZEF. $>

noemd werd, en van wien wij, in ons verhaal,

dikwijls zullen fpreeken.

Dkfze drie vroome mannen, Abraham, Izadk en Jakob, waren rijke lieden. Zij hadden veèle knegten en meiden; maar , zij leefden heel anders, dan de rijke menfehen nu gemeenlijk doen. Zij woonden niet in mooie huizen in de eene of andere ftad ; maar zfj ; trokken langzaam het land door, met hunne'vrouwen, met hunne kinderen en klein-kinderen , met hunne knegten en meiden en met hun vee.

Mietje. Heden, Meester.' waarom reisden die menfehen zorfaltijd?

Jantje. Voor plaizier, denk ik; want uitgaan en reizen is prettig.

Mr. Neen, Jantje! niet enkel voor plezier, maar voornaamclijk omdat zij Herders warén, die goede weiden voor hun vee moesten opzoeken.

Heintje. Maar, Meester! zij waren, immers, rijke lieden, en rijke lieden zijn geene herders!

Mr- Nu niet, lieve jongen! maar toen wel. In die tijden werd hij de rijkfte genoemd, die de meeste osfen, koelen, fchaapen — enz. bezat, nevens ve^le kinderen en bedienden. — Zo trokken de^ze goede menfehen voort met eikanderen , in eene groote troep. De Vader, of Grootvader, was de beftuurer van het ganfche huisgezin, 't welk hem gehoorzaamheid moest bewijzen. Als zij, nu, zo reisden , bleven zij, fomtijds, eenige dagen of weeken uitrust ten, dan eens in eene vlakte, dan eens bij bosfclien of bergen, meestal in de nabijheid van goed water voor hun zelven en voor hunne beesten.

Pietje. En waren op allen die plaatfen goede herbergen om te flaipen?

A 3 Mr.

Sluiten