is toegevoegd aan uw favorieten.

Gedichten voor het oude tooneelgenootschap Veniam pro laude.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

V A • E R Z E N. 169

ja, 't zij een Cato , in den Raad, Een Brutus, in den Roomfchen Staaf,

Manhafte taal van klem doe hoórea, Elk kunstvriend is hier welbefpraakt, Volleerd, waar deftigheid vermaakt,

En bqeit aan zijne kunst onze ooren,

Kortom; men ziehier, wat men wil, De kunst kroont, zonder nabedil,

Het nut der Vrienden-Maatfchappije; Zij toont den lof van 't Waereldrond, En fchets, op deez' gewijden grond,

Daar van de fehoonffce fchilderije.

Das maalde ik, in een ligt bellek, En zonder meestcrlijken trek,

Slechts flaauw uw tref'lijk kunstvermogen , Mijn Vrienden; maar, zoo 'k hoogcr zong, pe Loffpraak van mijn zwakke tong

Werdt aan mijn (bmelftemme onttc-Ggen.

L 5 Dan