Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de MOLENWIEKEN. ZS.

öra den voortgang van de wiek verbeelden kan , en DC den voortgang van den wind, om dat wij die in. dit geval ook zo goed als gelijk gevonden hebben. Wijl de wind dan nu juist den weg DC kan doorloopen in denzelven tijd waarin de molenwiek DA doorloopt, of dc, terwijl de wiek dA voortgaat» zijnde dc en dA wederom even lang , zo volgt dat de wind in dit geval het molenzeil maar juist van vooren raaken kan , zonder daar eenige drukking op te kunnen veroorzaaken; dat is, dat de wind maar als fchampende langs het zeil heen gaat, zonder eenig vermogen van persfing op hetzelve te oeffenen, en dat dus deeze plaats van de wiek de uiterfte is, van den as af, daar de ftand van een hek onder eenen hoek van 45 graaden nog niet nadeclig zoude zijn , zonder echter ook het minfte voordeel meer aan te brengen; alles , naamlijk , volgens de boven gemaakte onderftellingen,en met aftrekking van allerleije andere overweegingen.

Om deeze befchouwing zo klaar doenlijk is te maaken, zullen wij hier nog bijvoegen waarom, in dit geval , alle hekken, welke nader aan den as waren, voordeelig, en alle, welke zich verder van den as bevonden, nadeeC a lig

Sluiten