Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PROEFNEEMINGEN.

3*

S LIV.

In het voorgaande geval; zöö' ook ki dat van § XLIX. kan men, als het aangezigt of agterhoofd nederwaards getrokken is van den bovenften rand der Schaambeenderen, met de hand in de fcheede te brengen, dikwils beletten,dat het hoofd niet wederom een e kwaade legginge neemt in het kleine bekken.

§ LV.

Wanneer het hoofd gelegen zynde tusfchen den ingang van het bekken, gelyk § LUI. gezegt is, door den arbeid der Vrouwe word doorgedreeven, zoo: dat het agterhoofd het eerfte in de holligheid van het bekken gaat; dan kan het opperhoofd of pylnaad ook opgehouden blyven tegen een der doornagtige uitfleekzels van het zitbeen, terwyl het voorhoofd tegen het fchaambeen, en het agterhoofd tegen het heiligbeen fleunen. In welk geval dezelve handgreep, § Lil voorgefteïd, dient nagevolgt, en verders het geene § XLIV en § XLV gezegt is, waargenomen te worden.

C £ ' LVI,

Sluiten