Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

€ 3t >

20.

Dé Vader van een' boer lag op ftervcn. De boer ging inden nagt naar den Priester, cii bleef drie uuren voor deszelfs deur liaan , al ZagtjeS kloppende. >—- De Priester zeide tot hem: „ Waarom hebt gij niet harder geklopt?" „ Ik was bang," zeide hij, „ van tt wakker te

maaken." „ Wat is 'er te doen ? vraagde

de Priester ? „ Mijn Vader," zeide de boer, „ lag op ftervcn toen ik vertrokken ben." —„ Dan is hij nu al dood," zeide de Priester „ en ik zal 'er niet meer van noden hebben." |— „ O! neen Mijnheer, hernam de boer, mijn buurman Pieter heeft mij beloofd dat hij hem aan de praat zal houden." — .

47.

De koets van een Bisfchop wierd op een gemeenen weg verhinderd om voord te konnen rijden, door belemmering van eene kar; - offchoon zijn koetfier aan den karreman toeriep van uit den weg te gaan , hem fchold en bedreigde; bleef deze onverzettelijk Haan, en wilde ook het laatfte woord voeren. De Prelaat , onge¬

duldig wordende, Hak het hoofd uit het portier, en ziende een groven knaap, die ftoutmoedig en fterk was , zeide hij tot hem : — „ het fchijnt mij toe, mijn vriend , dat gij beter gemest dan onderwezen zijt. „ Wat drommel, Mijn¬

heer ," autwoorde de boer, „ dat is niet te verwonderen;" „ wij voeden ons zeiven, en gij zijt het d.e ons leert." 28.

Sluiten