Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

230 TOONKUNST.

Ernestus. Met al myn hart. Daar de natuur de klanken op verfchillende afftanden geplaatst had, en wel zo, dat de vierde en de zesde Hechts de helft, of na genoeg de helft, van de andere rnimtens befloegen, was de verplaat fing van het natuurlyk octaaf onmoogelyk, zo lang men de toonen niet kon verdeelen, om dus den een het geen hy te min had te kunnen byzetten en het den anderen, die het te veel had, te kunnen afneemen; deeze onmoogelykheid wierd eindelyk moogelyk gemaakt, door de ontdekte deelbaarheid der klanken en de uitvinding van het Kruis en Mol, of het meer en minder: door dit middel konden by de verplaatfing van het oclaaf, de halve toonen herfteld worden en dus werd der kunst eene rykdom van Grondtoonen aangebragt,die meer dangenoegzaam was,voor het vermoogcn van alle Hemmen of Inftrumenten; zonder dat de Harmonie daar iets by te lyden had, of zonder dat de twee natuürlyke uitgangen van groote of kleine Ten verlooren gingen.

Leonard. Maar Myn Heer! gy zegt dat de groote en kleine Ters daar door niet verlooren gingen,en hebt ons geleerd datdegreo/e7cr.raan den Grondtoon den naam van ut geeft, en de klein e aan denzelven dien van/a;nu kan ik niet begrypen als de grondtoonen vermeerderen en de twee Ter/en blyven, zo ook gevolglyk de uitgangen, dat deeze evenwel zouden vermeerderen-, het zal immers altoos de oude ut of la blyven.

Er-

Sluiten