is toegevoegd aan je favorieten.

Gedichten.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HUWELIJKS ZANGEN. 17-

Dat alles weêr in eenen chaos viel, Een lighaam zonder orde, en zonder ziel. Haar godheid heerscht in 't midden van de goden. Jupijn doet niets, of't wordt van haar gebooden: En hieldt zy de andre goön niet in den band, Zy wrongen hem den fcepter uit de hand. Nu dreunt hy met zijn' donder in de wolken. Vorst Pluto heerscht in de onderaardfche kolken. Neptunus voert den drietand, daar hy 't ruim Der zee mee flik, of zet in witte fchuim. Hier heerscht de liefde in haar' volmaaktften luister; Hier lijdt haar licht geen fchaduw, vlek of duister; Hier pronkt zy op een' diamanten troon, En fpreidt haar licht in 't hart van alle goön.

Met zulk een licht, en lieffelyke lonken, Heeft zy weleer de menfehen ook befchonken, Toen vrees en hoop, toen droefheid en ellend, Toen Uw en Mijn hun noch was onbekend: Toen 't ganfche jaar beftondt in eene lente: Toen Melibé geen malfche peeren entte,

Y 2 Noch