is toegevoegd aan je favorieten.

Gedichten.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

H UWELIJKSZANGEN. 173 Eene algemeene en onbevlekte vreugd Was toen 't vermaak van ouderdom en jeugd. Geen weigering deedt iemand droevig klaagen, Want niemand dacht iets, weigrenswaard', te vraagen. Wat de een bedacht, was ydereens vermaak, En yders wil was een gemeene zaak.

Maar toen de tijd de vruchten deezer aarde In aanzien bragt, en hen van meerder waarde Deedt fchynen in des eens of 's anders oog, Toen was het dat die zuivre vreugd vervloog. Men zag den blos, die 't aanzigt fierde, een teken . Van lust en rust, nu meêr en meêr verbleeken; Het voorhoofd werdt gefronst, en 't ftreng gelaat Getuigde van het harte, en zynen ftaat. De doodfche nijd, een leevendig geraamte, Ontuchtigheid, de moeder van de fchaamte, En eigenbaat, die bron van allen leed, Bekleen de plaats, die liefde heeft bekleed, 't Geluk van d' een' kon nu den ander' kwellen „ En elk begon zijns buurmans vee te tellen.

Y 3 Toen