is toegevoegd aan je favorieten.

Gedichten.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

174 HUWELIJKSZANGE N.

Toen werdt die band verbroken en vernield, Die hart en tong tot noch vereenigd hielde. Wat zou de goön toch dwingen, meêr te leeven By een geflacht, dat hun geene eer wil geeven ? Zy mydden de aarde, en weeken, een voor een, Ten hemel, daar de liefde meê verfcheen.

Nu Ieefdemen op 't aardrijk zonder goden. De fterkfte hand fchreef wetten en geboden Met eene pen , gedoopt in burgerbloed. Eens dwinglands wil was 't merk van recht en goed. De naam der goön werdt evenwel behouên. Men miste hen: men wou' hen weêr aanfehouwen: Zo zeimen: maar onkundig waarze zijn, Maakte yder zich een godheid in den fchijn. Hier moest de fchijn zijn hand en hulp toe leenen; Want waarheid was met de andre goön verdweenen. Toen bragt de zee (*) die dartle Venus voort, Wier naam alom gevierd wordt en gehoord.

De

(*) Puto «riant Vencrcm a Poetis e mari ortam fingi, fabulamque

dt