Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MENGELSTOFFEN. aao De minde dichter trouwens weet Dat deeze fnaaken, die bij hoopen

Omzwervende, uit een bokkingkeet Van Pluto fchijnen als gekroopen,

In plaatfen min dan Amfterdam Bevolkt, zich niet bewonderd zagen;

Thans wordt dit ras van vader Cham, Gelijk als elk in onze dagen

Zag bij den Lelijvorst (*) gefchiên, Alreeds beperkt; hoe 't zij, mijn preeker

Had nimmer eenen Moor gezien, Dit toonde de uitkoomst al te zeker.

Juist was 'er van die gasten een In 't lieverij der advokaaten

Van 't kroonpleidooi, bij Prins Eugeen, Of Ouwerkerk die voor de Staaten

't Gefchil met kogels heeft bepleit. Mijn broêr Cornelius de tweede,

Voorvegter

(*) De Koning van Vrankrijk heeft voor weinige jaaren een verbod gedaan tegens den invoer der Mooren.

Ff 3

Sluiten