Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PRIJSVAARZEN. 87

Kan God, de Bron van duizend bronnen !

Die op zijn' wenk deez' wereld fchiepl— Den Hemel glinstren deed van zonnen,

En alles uit een' bajert riep? Kan Hij uw ftof niet weêr vergaêren, Dat nog moet voeden, zweeven, waaren ?

Kan Hij, wanneer zijn wenk gebiedt Dat ftof, fchoon nu ten prooi der wormen. Niet weder tot zijn doel hervormen? —

En eischt Gods heilig recht dit niet?

Zou Hij, van wiens geduchten zetel

De blikfem vliegt, de donder rolt, De fnoode fterfling, die vermetel

Op 't helfche pad der ondeugd holt, Zou Hij hem ftraffeloos gedoogen? Hij, driemaal heilig! Hij! wiens oogen

Geen onrecht dulden, of geweld, Hem zien, zijn wraak in 't graf ontvluchten, Ten fpijt der onderdrukte zuchten ,

En reine traanen, die hij telt?

Zo*

Sluiten