Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6

het gelukkig

hoe rnyn Heer my eenmaal naar Berlyn zonde, en dat ik onderweg een ongeluk kreeg met het paard.

De g r a a v i tr. Vertel my dit op een anderen tyd, Jakob — gaa nu heen, en bezorg dat de Chais ingefpannm wordt maar zo fchielyk als mogelyk is,

j a k o b

Wil uwe Hoogheid nog zo laat uitryde»? Doch

dit wilde ik eigelyk niet vraagen maar eer

ik gaa, hadde ik nog een verzoek — van een gantsch byzonderen aart.

De g r a a v i n.

Met weinige woorden dan, Jakob ; wat is

het? Gy zyt anders zulk een fpaarzaam

en overleggend man maar omtrent uwe

ivoorden zyt gy de grootfte verkwister dien ik kenne.

jakob.

Onze Heer zeide eens , dat het myner eerlykheid fchuld ware , dat ik ni ts in myn gemoed kon bewaar.u. ■ Doch zeden ik van den vreemden Man, van welken den Heer Pastoor zeide , dat hy fprak gèlyk een Boek, gehoord heb „ Dat Eerlykheid en Domheid bloed-

verwanten zyn", geloove ik 'er niet meer aan. Maar nu, om weder op myn verzoek te

koomen. Terwyl de Jonge Heeren morgen

we-

Sluiten