Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

56

O / BR DE GEWASSEN.

De Rotang is een heestergewas, 't welk ovèral in de Indien van zelveri groeit zonder eenige oeffening. Er zyn verfcheide zoorten van dit gewas, die alle in veel opzichten verfchillen, doch hier in overeenkomen, dat uit het riet een kruipende rank voortfpruit, die in de hoogte oploopende zich om de boomen met meenigvuldige takken hecht, en dat met zulk een digt gewas, dat het in ftaat is de hoogfte en fterkfte boomen te verflikken. De vruchten van dit gewas zyn eenigzins gelykende naar Aardakkers; doch zy zyn omringd met eene Ichil, zo dun en zo gekleurd als een flangenhuid, en van binnen hebben zy twee pitten wit van kleur, doch zo wrang van fmaak, dat niemand ze kan eeten. Het gebruik van dit gewas en vooral der dunne ranken is in de Indien zeer groot, vooral om iets te binden, of vast te maaken; doch de fraaifte, en die het best gefchikt zyn tot hand-, rottingen, komen uit Siam en Japan.

De Betel, welker bladen in de Indien overal om ze te kaauwen gebruikt worden, is op Java ook zeer meenigvuldig : van verre gelykt dit gewas veel naar zwarte Peper, en groeit by allerleye boomen en ftaaken tot aan boven op, en maakt dan noch doorgaans verfcheiden krullen boven dezelve. Gaarne groeit dit gewas in eene vette welgemeste aarde, en bemint fchaduwachtige plaatzen, willende hIcl gaarne op bet tiootc veld groeijen, en ook niet binnenlands, maar alleen in de warmfte landen aan den Zeekant; ja het zelve is zo teder, dat het op de meeste plaatzen in de Iudien 's nachts tegen de koude moet worden gedekt. De bladen van dit gewas zyn doorgaans zes duimen breed met verfcheide zenuwen dooriheeden, en fpeceryachtig van fmaak. Het gebruik van dit blad is go gemeen in de Indien, dat de meeste het zelve geduurende den ge* heelen dag kaauwen, en 'er om zo te fpreeken niet zonder kunnen leeven: ten dien einde neemen zy een enkel blad, 't welk zy met wat kalk van oesterfchelpen beftryken, en daarna in de gedaante van een peperhuis toevouwen : hier in fteeken zy een vierde deel eener Noot jtreka of Pinang genoemd, die aan de Betel een zamentrekkend vermogen geeft, en den mond bevochtigt, waar door veel kwylen wordt veroorzaakt. Deeze eerfte kwyl is bloedrood, en wordt uitgcfpoogen, maar de volgende doorgenikt. Door dit fpeekzel worden de lippen rood, en het geheele aangezicht gloejende; en zo de Pinang zeer fterk wordt gekaauwd, doet zy de hersfenen aan, en verwekt eene duizeling, ja by die geene, welke 'er niet aan gewoon zyn , volgt doorgaans eene flaauwte , die echter door zout om de tanden te wryven kan worden verdreeven. Ook meent men dat dit fap zeer heilzaam is voor de maag, en tot bewaaring der tanden, die door een maatig

gebruik

Sluiten