Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

x TOEWYDING,

6 Kunstgenoot! w'-cn voegt het billyker dan my, Die, dicbtkunsiöcKiiCinl, fints mogt in uw vrindfeuap declcn,, En zich , aanhoudende, zag ftreelcn Djoi' vruchten van nw poëzy, U, ten Mecenas van decs lettervrucht te vraagen?

Gy gingt my minzaam voor; ik nam uw' Fei'ix aan, Toen 't aan uw vrindt'chap, zo gulhartig, kon behaagen,

My d' cercnaaui van zyn* befcbermer toe te (taan. Vergui 't my ook, U, dit rnyn zangfpel, op te dranger..

c>

Ik noop U gcenszks ter befcherming van een' vorst, Die, aan den wellust, als een (laaf ten prooi gegeeven,. Zyn heil zoekt in een fchamJyk leven; Of, door onfchuldig bloed bemorscht, De rol fpeclt van een hoofd der amlschgewcldcnaaren;

Die, driest, den Uunsuuiar uit zyne ftaatcn bant: 'k Wy' U een' vorst toe, die geen mojite of zorg wil fpaaren

Ten bleei der kunsten en del voo-fpoeds in zyn land; Een', die menschlievcriden wil vormen van barbaaren.

Wie

Sluiten