Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

23a VIJFDE LEERREDE.

menfchen , die liefde der waarheid in hunne taal , uitneemende godzaligheid in hunnen wandel en verkeering , vertoonden , en zich hier door aangenaam maakten , zelfs bij verftandige en doorzichtige godvruchtigen; doch die men , bij tijdvervolg, als fnoode bedriegers leerde kennen. Trouwends, de mensch ziet maar aan dat voor oogen is ; de Heer alleen ziet het hart aan.

D i t moet ons voorzichtigheid inboezemen, 't Is waar , die te oefenen , zal ons geene onfaalbaare hartenkenners maaken. Echter kan ze ons van den waan geneezen, dat menfchen te kennen, eene ligte zaak zou zijn. Ze zal ons weerhouden* van op fchijn en voorkomen haastig vonnis te vellen. Zij zal omzichtigheid leeren , in het opdraagen van ambten en posten , en in het aangaan van verbindtenisfen , en vertrouwde vnendfchap. Ze zal den wijzen doen wantrouwen aan zijne wijsheid , en den vroomen doen bidden, dat God zijn hart en mond bewaare, en zijnen gang beftuure.

En hoe noodig is dit! daar zich los en onbedachtzaam op het geen voor oogen is te verlaaten, zoo meenig huisgezin eene hel van twist, zoo meenig' vertrouwelijken omgang tot eene bron van fcheuring , fchen» ding, en laster maakte; daar dit gebrek, aan landen en volken , in ftede van dienst en

nut,

Sluiten