Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

23o VIJFTIENDE LEERREDE.

zeiven , gegrond zijn , is het buiten tegenfpraak, dat God niet alzoo godsdienstplegtigheden eischt, als wel zedepligten ; en dat, in gevallen , waar in men tusfchen de eene en de andere keuze moet doen , der oefening van zedepligten den voorrang _ toekoomt. Ziet daar den grond van 's Heilands verdeediging.

Maar nu is de vraag, of deeze grond, en het geen uit denzelven wettiglijk wordt afgeleid , voldoende werkt, tot verontfchuldiging van Achimelech en van David ? — Letten wij eerst op David. Hij was zekerlijk in uiterften nood. Men behoeft , om dit te befeffen, geene Joodfche beuzelaarijen te baat te neemen. Ligtlijk begrijpt men , dat David, zonder zich van leeftogt te hebben kunnen voorzien , op de vlugt gegaan, nu moede en mat , en genoodzaakt, zijne vlugt om zijns levens wil fpoedig voordtezetten , zich in den uiterften nood bevond, liet was thands voor hem , of brood , of de dood. — Letten wij op Priester Achimelech. Dees hield zich verzekerd, dat David in 's Konings dienst, ter bevoordering van 's lands zaaken, genoodzaakt was, met zulk een' buitengewoonen fpoed te reizen , dat hij zich geen' oogenblik langer, dan even noodig was, mogt ophouden ; weshalven hij zich , in deeze omftandigheid, oordeelde in het geval van uiterfte noodzaaklijkheid te zijn.

Op

Sluiten