Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

i Samuels XXII. vs. 9—23. 347

men hem, alle teugels verbreekende, fchaamteloos allerlei godloosheid pleegen; dan fteekt hij ftoutlijk den neus tegen den Heere omhoog , baart landen en lieden fmert en jammer ; zijn mond is vol van vervloeking, en onder zijne tong is moeite en ongerechtigheid. Gods oordeelen, in zijné oogen, eene hoogte verre van hem zijnde, vervolgt hij hittiglijk den ellendigcn , en ontziet zich niet , den onfchuldigen te dooden. ~ Qnnoodig is 't, met veele voorbeelden dit te ftaaven, daar ze zich alom zoo droevig veel vertoonen. De ftoffe nu te behandelen,//w fielt er ons meer dan één voor oogen. 'Sf$van en Doëg, beide godloos, zien wij, als zoo-^ïn daanig , onbelemmerd , naar hunnen aart Saul en werkzaam. En wat koomt van hun voord ? Delg' De fnoodfte, de onrechtvaardigfte, de wreedfie godloosheid.

Iu de voorige Leerrede hebben wij ge-g«i«»rf zien, Saul, op Gibeaas hoogte, ffoatelijk hebbende, onder het-geboomte zittende, en bitterlijk ^/^y zich beklaagende , over Jonathan , als een' *ti»é verbondling van David; en over David fnechte"i a's door opflooking van Jonathan , zoo hij waande, een belaager van hem, den Koning, en zijnen troon ; doch allermeest over zijne knechten , die onmeêdoogend dit alles voor hem verborgen hielden. — Thands moeten wij befchouwen , Doëg , een' van Sauls knechten, den Koning bericht geeven, doch

valsch.

Sluiten