Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

£08 EENENTWINTIGSTE LEERREDE,

Hier ttaat ons

ie keren.

Dat aanmerkelijke verlosjingengeen" grond geeven, em te vertrouwen , dat men niet op nieuw in engelegenbeidzal koomen.

B. De overweeging van de uitkoomst deezer zonderlinge gebeurdnis voor eene volgende Leerrede pverlaatende , zullen wij het een en ander, uit het verhandelde, ons ten nutte opfaamelen.

Wij zien hier, voor eerst: „ Zon„ derlinge verlosfing uit groote ongelegen„ heden , moet men niet houden voor een „ onderpand, van verfchooning voor nieuwe „ ongelegenheden''. — Een onderwijs , dat ons voorheen reeds voorkwam , waarom ik het thands niet uitbreide, maar flegts herinnere. — In de voorige Leerrede zagen wij David , zoo wonderbaar als tijdig, door der Filistijnen inval , uit de kaaken des doods gered. Welk eene ftof tot dankzegging en aanbidding ! Welk een grond voor zijn vertrouwen ! — Maar wat mogt David vertrouwen ? dat de Heer hem nu voords voor ongelegenheden bewaaren zou? Geenzins. Wij zien hem op nieuw vervolgd. ' Wat dan ? Die zonderlinge verlosfing mogt en moest hem doen vertrouwen en hoopen , dat de Heer hem, in volgende nooden, niet begeeven noch verlaaten zou.

Heeft de Heer ons uit nooden gered; dat wij Hem danken — maar nimmer denken : Nu zijn wij alle rampen en nooden te boven. Dan , gebeurt het, dat u, daar gij het goede verwachtte, het kwaade op nieuw

om-

Sluiten