Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

H> XXÏÏI. LEERREDE.

dén dé gewoonte hadden, hunne graflieden, zelfs bij hun leven , in hunne hoven te befchikken en te bouwen — wijzer dus handelende dan wij, die de lijken in onze kerken begraavende, hét misbruik, door bijgeloof jjftr gevoerd , blijven volgen , en de gezondheid der leevenden benadeelen. — Droevig voor David , dat hij deezen rouw , en ftaatige uitvaart , niet kon bijwoonen ! — Dan , is Sa* muel dood; de HEER leeft!

David 3, Laat ons zien, wat David nu verder "**> 'P* deed, en wat hem wedervoer. — Uit Engedi wM///»# toog hij af, naar de woestijn Paran; doende Paran. ^us eenen togt van daar , langs de Doode Zee , tot voorbij de zuidlijke landpaalen van Juda. Want Paran , ten westen aan het land der Amalekijten, ten oosten aan dat der Edomijten, en ten noorden aan Juda grenzende, lag ten zuiden van Juda. Eene woestijn, veel* maaien in de heilige Schriften vermeld, en aldaar als gróót en vreeslijk bêfchreëven (e). Het js waarfchijnelijk, dat David z4ch daar heen be* gaf, om verder van Saul verwijderd, in ruimer landftreék meerder veiligheid te vinden , en, zoo de nood drong, verder af te kunnen vluggen. _ Intusfchen was David daar in- grooté ongelegenheid; welke hij elders, niet onwaar, fehijnelijk, met deeze woorden befchrijft: O •wee mij , dat ik een vreemling ben in Mefech , iat- ik itt de tenten Kedars ivoone (d) !

Niet,,

CO DtKtertH. I: tg. (d} Ptalm CXX: 5.

Sluiten