Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

jc-4 XXXIII. LEERREDE.

XXXIII. LEERREDE.

2 Samuels I. vs. 17-27.

17. David nu klaegde defe klage, over Saul, ende over Jonathan fijnen fone;

18. Als hy gefeyt hadde, dat men de kinderen vin Juda den hoge foude leeren : .fiet, het is gefchrzven in het boeck des Oprcclten.

19. O cieraet Israëls, op uwe hoqgten is hy verflagen : hoe zijn de helden gevallen ?

20. En verkondigt het niet te Gath , en boodfchapt het niet op de f raten van Askelon.: op dat de dochters der Philistijnen haer niet en verblijdtn , op dat de dochters der onbefnedenen niet opfpringen van vreugde.

21. Gy bergen van Gilboa, noch dasuw, noch regen moet zijn op u , noch velden der hef. fifl'eren : want aldaer is der helden fchilt J'made. lick wechgeworpen, de fchilt Sauls, als of hy niet gefalft en ware geweest met olie.

22. Van het Moet der verflagenen , van het vette der helden , en wert Jonathans boge niet achterwaerts gedreven ; ende Sauls fweert en keerde niet ledigh weder.

23. Saul ende Jonathan, die beminde, ende die liefiicke in haer leven, en zijn oock in haren doot niet gefcheyden : fy waren lichter dan arenden , fy waren fiereker dan leeuwen.

24. Gj

Sluiten