Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

24 XXXIV. LEERREDE.

aan zulk ccn bedrijf ontzegd worden, waarin het betaamehjk eigenbelang aan deugd en pligt ondergefchikt wordt ? David is getroffen, door het edelmoedig gedrag van die van Jabes. Hij wil die lieden doen weeten, dat zijn hart dankbaar , en hun dieswegens toegenegen is ; dit is lofwaardig. Hij laat hun tevens weeten , dat Juda hem ten Koning verT koozen heeft. Wat valt hier te berispen? Hij heeft , zegt men , een proef willen neer men, of men in Gilead genegen zou zijn, hem voor Koning uitteroepen. Het zij zoo \ maar ftond hem dit niet vrij ? Is het niet hoogst prijslijk, dat hij, van 's Heeren wege tot Koning over gansch Israël gezalfd zijnde, zich van alle geweld onthoudt, en niet, dan door vrijwillige keuze, tot het bezit wil koomen van het geen, waar op hij van 's Heeren wege recht had ? Davids bedrijf was in dit geval lofwaardig.

0/) jft % Nog moeten wij , over deeze gebeurdr verbaal nis , cenige vraagen voorftellcn , en beantvait aan- j — JVleii vraast: Deeden die van

temet ken, ■ ° , .

Juda wel, dat zij David ten Koning verkoozen? — Deed David wel, daf hij hunne verkiezing aannam ? -— Heeft David den troon wel door behoorelijke middelen beklommen?

dat yu- Deeden die van Juda wel, dat zij David d7ii/'v)et-" ten Koning verkoozen ?" ■—■ Men vraagt: tig is. Beftond het Koningrijk niet uit alle de twaalf

ftam.

Sluiten