is toegevoegd aan uw favorieten.

Leerredenen, over het leven van David.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ï6S XXXVII. LEERREDE.

die ftoutlijk de waardigheid en eer van dert tegenbeeldigen David beleedigcn , de Godlijkheid van zijn' Perfoon verloochenen, zijn gezag beftrijden, zijn Evangelij verachten, zijné heerfchappij verwerpen, de wapenen van verHand en hand tegen zijn Koningrijk voeren, den Satan, de zonde , en eene zondige weereld, met alle vermogens van ziel en ligchaam lustig dienen , en met de daad , of zelfs wel met woorden, zeggen : Onze lippen zijn onze; wie is heer over ons ? —■ Beklagenswaardige menfchen! Zoo fnood uw beftaan, zoo vloekwaardig uw gedrag is , zoo rampzalig is het lot, dat u, blijft gij dus , te wachten ftaat. Thands zijt gij ongelukkige flaavcn van den onzaligften heer , en flegtften dienst ; rust noch vrede kunt gij hebben , dan in uw gemoed en geweten te verwoesten. Maar wat zal bij den dood , en in de eeuwigheid , uwe verwachting weezen ? Hij , Wien gij hier fmaadlijk verworpen hebt , zal uw Rechter zijn. En wie zal dan uw redder weezen?

jFaar t»e Oen! of wij alle den verheerlijkten Mid^er'ak'r delaar, in het heden der genade , tot onzen redenen Heer en Koning verkoozen ! — Denken wij toch eens wel in , wie Hij is. Geen zoon alleen van Ifai; maar het affchijnfel van Gods Heerlijkheid , het uitgedrukte beeld zijner Zelfftandighcid. — Waar toe Hij gefield is. Niet flegts ten Koning van Israël ; maar ten Vorst en Gebieder der volken —> ook van

hen}