Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2 Samuels V. vs. 6—16. 23r

,. maande grootheid, hangt daar van af, dat^o»*» „ de Heer met ons js". — Volken, en Vois-fpocd ten , ook bezondere menfchen, haaken veelal da*r van naar aanwas van grootheid. Hoeveel %&-fJf%t% keerdheid hier bij kan plaats hebben, is echter Heer met waare grootheid met reden hoog tc fchatten,om en betaamelijke zugt tot dezelve , prijslijk. Gelukkig , vooral , wanneer een Staat en Staatsbeftuur in vermogen , in welvaart, m fterkte, in'geregelde orde, in inwendigen vrede , waaren godsdienst en deugd , voordgaat en groot wordt; in achting daar door rijst bij nabuuren, en zich alom ontzag verwerft.

God — dit erkent de ganfche weereld —• heeft ons groot gemaakt. Maar zijn wij het nog ? Wij kunnen niet ontkennen , dat God genadiglijk ons voor groote vernedering behoedt, en dat Hij ons bij aanmerkelijke grootheid bewaard heeft, 's Lands Hooge Magten geeven daar getuigenis van , in de zoo aanmerkelijke Uitfchrijving van den jongst gehouden Bededag. God gceve , dat wij recht befcffen, waar in onze waare grootheid gelegen is , en hoe die te zoeken cn te bevoorderen! Dit is zeker , zal het ons welgaan , dc Heer der hcirfchaaren moet met ons zijn. En zullen wij dit kunnen verwachten , wij moeten met den Heere zijn. Verlaaten wij den Heere , zijn Woord, zijnen dienst, en zijne vreeze ; Hij zal ons verlaaten. En van God verlaaten wordende , zijn wij aan onszelven P 4 ge-

Sluiten