Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

0ÉB XLIII.1 LEERRED E.

heid' doet u meer begeerelijks zien in Davids/ Kroon, dan in Davids grooten Zoon; meer in Davids Koningrijk, dan in Jefus hemelsch Koningrijk; meer in Davids goed, dan in Davids — Welk eene dwaasheid! . David, ftervcndc , moest alles wat aardsch was , verlaaten. Dit ftaat u, en misfehien eerlange ook te gebeuren. En wat zult gij behouden j wanneer gij alles, ook uwe kostelijke ziel, verliest ? Niets , .dan eeuwig naberouw , en een eeuwig verderf! — Och! dat gij. uwe dwaasheid zaagt! dat gij naar een' roependen Christus , ! naar eenen genade aanbiedenden Koning, hoordet, en den fepter, welken Hij u toereikt, wildet kusfen ! Zoo zoudt gij leeven in 's Konings gunst, en flervcndc , een eeuwig Koningrijk beërven.

En deeze ! Dan, godvruchtigen, is Jefus Christus de zegen grootffe Gaave van God , cn u allerzaligst; vronen laat dan het deelgenootfchap aan dezelve , albemoedi- jes jjjj u overweegen. — Onthoudt God u sen' het een en ander, dat op zichzelven begeere|te — ja, zegt misfehien iemand, al veel'. Het zij zoo. — Verliest gij hier, 't geen u dierbaar was? Ook dat gebeurt. — Verkrijgt gij niet, het geen gij met grond meendet te moogen verwachten ? Dit kan fmertcn. — Geeft God u voorrechten ? groote zelfs, en boven verwachting ? Wccst ootmoedig dankbaar. — Maar, wat gij mist, of wat gij bezit ; laat Jefus Christus , en zijn Eeuwig Koning-

Sluiten