Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2 Samuels VIII. vs. i—8. 25

cn de bewooners van Gilead cn Bazan , toen zij Israël of bcleedigden, of beftreeden. Hier door kwam dit land , vruchtbaar in weiden, in bezit van Ruben , Gad , cn half Manasfc. — Die gelegenheid werd vervolgends gegeeven door andere volken, welken verder oosten noordwaards, in Syrien en deszelfs woestenijen, woonden.- Van daar leest men , dat Rubens nakroost woonde tegen 't oosten, tot den ingang der woestijne , van de riviere Frath af; en dat zij in Sauls dagen krijg voerden tegen verfcheiden volken , aldaar woonachtig , cn hun land veroverden (h). —■ Deeze volken , bij deelen overwonnen , maar niet, gelijk de Kanaanijten, uitgeroeid, maakten zich hier cn daar fterk, en poogden Israël te ontrusten , en uit de ingenoomen landen te verdrijven. En dit gaf dan wederom — gelijk hier aan onzen David — gelegenheid, om Israëls bezittingen , volgends- Godlijke gifte aan Abraham gedaan , te verzekeren cn uittebreiden. ■—• Davids recht , derhalven , fteunde op Godlijke gifte , aan Abraham , en zijn nakroost Israël; en op de beleedigingen, wélken dg bewooners dier landen , den Israelijten , en hurme bezittingen , aandeeden. Laat ons eindelijk nog aanmerken , dat de Heer zelf, op kenbaare wijze, Davids gedrag in deezen oorlog, met het zegel zijner hoogc goedkeuring bekrachtigde. Dc HEER, zegt

■ de

(h) 1 Kronijken V: 9, 10.

B 5

Sluiten