Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2 Samuels XVIII. vs. 19—33- 223

hij ? Mijnen heere den Kming wordt geloodfchapt , dat u de HE E R heden heeft recht gedaan , van de hand aller der geenen, dié tegen u opftonden. Nu , Cufchi , dit is wel. David wist dit reeds. Hebt gij geene bezonderhedcn ? — niets van Abfalom ? — geen woord ? — Met een beevend hart vraagt David: Is 't wel met den jongeling , met Abfalom ? De verzekerde tijding van zoo heuglijk eene overwinning , kon het zorgend aandenken aan zijnen zoon, uit Davids licfdehart geen' oogenblik verzetten. — Cufchi, wel beleefd, wel bcfcheiden , zegt nogthans duidelijk, wat ei van de zaak is. De vijanden mijns heeren dei Konings , en allen , die tegen u ten kwaade opjlaan — moeten worden — als die jongeling! — Zeker, een fchrander beleid, in zoo fchroom lijk een antwoord ! Daar hij den Koning za! zeggen : Abfalom is dood ; wil hij, op der zelfden oogenblik, den Koning herinneren dat Abfalom zijn vijand was; dat hij zijn< hand ten kwaade tegen hem had opgeheven

— en dat hij des geen ander lot, dan da; van een' wederfpannigen, en het Rijk beroe renden vijand , waardig was — en dan , j;

— Abfalom is om hals! — Daar ligt de flag

3. Wat nu? hoe gedraagt zich David? — Laat ons hem bezien; — laat ons hem hoo ren; — laat ons betaamelijk hem beoordeelen

— Laat ons David bezien — in zijn hart

nn in 7iin apHraer Til ZÜn hart. Toet

En op

Davids

vraag;

geeft bij bericht van /lbCalofns dood*

l »

>

i [

' Dit treft . Davids hart,

i

t ;

Sluiten