Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Opgaande raar de »/fjrzaal,

boezemt bij zihie di oef beid, door luide klagten, uit.

224. LXII. LEERREDE.

werd de Koning 'zeer beroerd. Deeze tijding' treft zijn hart met fchrik ! dit had hij riiefj gedacht ! -— Deeze gebeurdnis, overrompelt.,; Zijne ziel, en brengt alle zijne vermogens 'ml verwarring! Hij is boven maate ontfteld! —1 Daar bij, hij zwijgt. Wij leezen niet, dat hij. in dc .eerftc oogenblikken één woord, tot God of menfehen , fprak; —. zelfs niet, dat hij vraagt , door wat weg — op welk eene wijze, zijn zoon gefneuvelc! — of wat er van zijn lijk geworden zij ? De beroering van zijn hart, bedwelmt zijn verftand, en beklemt zijne tong! — Hij zwijgt, gelijk een fpraakloos beeld. •—■ Spraakloos ftaat hij op , en gaat naar de opperzaal der poort. — Men gedenke, dat bij de Jooden, de raadsvergaderingen en het gericht gehouden werden , in en boven de poorten ; weshalven aldaar ook kamers , en zaaien , tot dat gebruik waren. —■ David, om buiten menfehen oog , zijn' hangen boezem tc ontlasten , gaat naar boven. Maar , hoe hij, aan den eenen kant, geweld doet om zich te bedwingen — en aan den anderen kant, zich haast, om op de zaal te koomen — hij kan het zoo verre niet brengen; onder weg reeds, barst hij uit, in bitter geween, en hartbreekende jammerklagten.

Laat ons die hooren. — In zijn gaan^ t. w. , naar de zaal, zeide hij, op zielroerenden toon , alzoo: Mijn zoen Abfalom! mijn zoon ! mijn zoon Abfalom ! gij , gij dan dood!

II,

Sluiten