Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5o4 LXIX. LEERREDE.

39* Ende ick v er teer defe , pnde doorftachfe , datje niet weder -opftonden; maer fy vielen onder mijne voeten.

■ 40, Want gy omgorddet my met kraclit ten ftrijde; gy deedt onder my nederbucken , die tegen my opfionden.

41. Ende gy gaeft my den necke mijner vyanden, mijner hater en; ende ick vemieldtfe.

42. Sy fagen uyt, maer daer cn was geen verlosfer ; naer den ' HE ER.E , maer hy en antwoordde hen niet.

43. Doe vergruysde ickfe, als ftof der eerden ; ick ftamptefe, ick breyddefe uyt als Jlijck der ftraten.

44. Oock hebt gy my uytgeholpen van de twisten mijns volcks , gy hebt my bewaert tot een Hooft der Heydenen: het volck [dat] ick niet en kende, heeft my gedient.

45. Vreemde hebben fich my geveynsdelick onderworpen: Soo haest als [hacr] oore [van my] hoorde, hebben fy my gehoorfaemt.

46. Vreemde zijn vervallen , ende hebben fich aengegordet uyt hare floten.

47. De HEERE leeft , ende gelooft zy mijn rotzfteen : ende verhoogt zy Godt, de rotzjleen mijns heyls?

48. De Godt, die my volkomene wrake geeft, ende de volcken onder my nederwerpt:

49. Ende die my uytvoert van mijne vyanden ; ende gy verhoogt my boven de gene die tegen my opftaan, gy reddet my van den man alles gewells.

50. Daer-

Sluiten