Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

J o.

David op nieuw als Krijgsoverfte aangefteld, of bevestigd.

— Hij ontraadt den Koning de gebodene Volkstelling. En zijn verder gedrag in die zaak. ....

— Wikkelt zich in met Adonia om deezen van de Troonsopvolging ie verzekeren. Zijne redenen en inzichten daar bij.

— Davids laatfte bevelen aan Salomo, om Joab te (haffen.

Jojada.

— De zoon van Benaja, een van 's Konings Raaden. . . . .

JüNADAB

— Zoon van Simea, of Samma, óm broeder van David. Hij wierd geacht een fchrander en wijs man te zijn, en was de vertrouweling van zijnen neef Amnon, wien hij fnooden raad geeft in de zaak van Thamar — enz. .• .

Jonathan. De zoon van Saul.

«— Davids goede hoedaanigheden neemen zijn hart voor hem in, hij maakt vriendfehap met David, en geeft hem blijken van achting. — Gods beftuur daar in op te merken. ....

— Zijne getrouwheid in die vriendfehap. Hij waarfchuuwt David tegen 't voorneemen van Saul om hem te dooden ; en geeft hem raad om zich te verfteeken, met belofte om zijns vaders gezindheid te ondertasten. — 't Geen hij met een goed gevolg te werk ftelt, en zijnen vader bevredigt; waar van hij David bericht geeft.

— Leeringen daar uit afgeleid. Waare vriendfehap vordert, dat men zijnen vriend voor kwaad waarfchuuwt. 33—35- En dat men tegen zonde waarfchuuwende, zulks vooral, omtrent meerderen op eene liefderijke wijze moet doen. 35—38. Dat God die vermaa*ningen boven waarfchijnlijkheid kan zegenen. . ...

— David vlucht uit Najoth tot Jonathan,

K 3

149

D. Bladz.

VI. 3*9. volg.

VIL 22. volg

264. 265. 431-volg.

VII. 233.

V. 401.426".

I. 486. 489-493.

II. 7- '7-

39. 40. en

Sluiten