Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van GEORGE WHITEFIELD. s?

bereikte iets meer dan het middelbaare. Hij was fchoon van aangezicht. Zijne oogen waren van eene donker blaauwe koleur, en klein, doch leevendig; aan een van dezelven, had hij een gebrek, zijnde een gevolg van de mazelen , in zijne tedere kindsheid, welk hem een weinig fcheel deed zien. Zijne wezenstrekken waren goed en regelmaatig. Zijne houding manlijk, en zijne ftem uitermaate fterk; doch beide werden getemperd door eene groote minzaamheid. Hij wasxaltijd zeer net en zindelijk, en plagt wel eens geestig te zeggen, ,, dat een Dienaar „ van het Euangelie zonder vlek behoort te „ zijn." Zijn gedrag was welvcegelijk en heusch , zonder de minfte ftijfheid of gemaaktheid; en zijne verpligtende en befchaafde manieren, maakten zijn gezelfchap algemeen aangenaam. In zijne jongere jaaren, was hij heel rank, en beweegde zijn ligchaammet groote vlugheid, onder het fpreeken, naar den "aart der zaaken die hij voordroeg; maar omtrent zijn veertigftejaar, begon hij zwaarlijvig te worden. Die was echter alleen een gevolg van zijne kwaal, zijnde hij altijd bij uitllek maatig in het gebruik van fpijs en drank.

Wanneer wij het leven van deezen buitenge» woonen Man befchouwen, dan fchijnen de volgende bezonderheden daar in vooral aanmerkelijk:

Voor eerst. Zijne onvermoeide naarstigheid, in de pligten zijner heilige Bediening, en zijn gemoedlijk in acht neemen van ijder gedeelte van zijnen tijd. Vroeg in den morgen, ftond hij üp, om in het werk van zijnen He ere beezig te zijn, en de ganfche dag werd hefteed, in

eene

Sluiten