Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 17 )

nïet in zoodanig een genootfchap ware, — Even» wel, die een regt lid is van zulk eene maatfchappij, die is mede werkzaam, om die kunften en weetenfchappen te beoeffenen, waartoe hst genoot, fchap bijééngebragt is, en zulk een deelt dan ook in de eer, de genoegens, de voordeden , welke aan de maaifchappij verbonden zijn.

Zulks nu heeft veel meer plaats ten opzigte van de Kerk. De Kerk is ook een genootfcb.jp of eene maatfehappij: maar een genootfchap, eene iraufchappij, welke met God en met de eeuwigheid,in de naauwfte betrekking ftaat.

De Kerk is de Gemeente van den Heer Jefus Christus. Eene maatfehappij van menfchen, welke zich vereenigen, om God te dienen, en toebereid te worden voor de eeuwigheid. Hoe veel' zegt het niet, een lid te zijn of te worden van zulk een ge. nootfehap! — dat worden wij plegtig bij den Doop.

Wij Christenen voelen dat niet in kracht, om dat wij uit Christen ouders gebooren, en meestal in onze vroege kindschheid gedoopt zijn; maar verbeeldt u eens eenen Heiden of eenen Jood, welke tot het Christendom overgaat, Hoe moei zulk een wel te moede zijn, wanneer hij den H. Doop ontvangt, en daar door der Christe'ijke Kerke wordt ingelijfd? Als hij zijne belijdenis eenigzirts verftaar, als h'j dezelve uit overreeding van zijn hart doet, B als

Sluiten