Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

över PSALM LXIII. 23

wy ook in den godvrezenden David,'gelyk hy voorkomt in onze textwoorden, en derzelver famenhang.

Hy wandelde in duifternisfen, en had geen licht, dèwyl hy als een balling moeft vluchten , en omzwerven ih de woeftyne van Juda, van wegens devervolginge zyner vyanden,ja ook van God in zeker opzicht verlaten fcheen.

3. Maar in die duifternisfen vertrouwde hy nochtans op zynen God, zag uit nam- licht, en verwachtede hulpe en uitreddinge van den HEERE als zynen God, daarom verhief hy zyne ziele tot hem met deze aanfpraak, en fmeekbede: S God ! gy zyt myn God, ik zoeke u in den dagéraad, myne ziele dorfiet na u, myn vleesch verlangt na u, in een land, dor ende mat, zonder-water.

et. Te voren heb ik verklaard : (a) Het opfchrift van dezen Pfalm. (b) En Davids betuiging aangaande 'zyn gelovig vertrouwen op God, i God! gy zyt myn God.

fi. Nu zien wy in onze textwoorden, hoe dat dit vertrouwen van David zig ook werkzaam betoonde, door het zoeken en verlangen naar God, als hy zegt: Ik zoeke u in den dageraad, myne ziele dorjlet na u, enz.

Om deze woorden te verklaren, zullen wy acht geven. ■

I. Eerst op Davids ernftig verlangen naar de ziel- • verkwikkende gemeenfehap Gods; ik zoeke u in' den dageraad, myne ziele dorjlet na u, myn vleesch ' verlangt na u.

II. En daarna op de droevige omjlandigheid daarvan, in een land, dor ende mat, zonder water.

:

B 4 L Da-

Samenhang.

Verdee'ing der Veffl' voorlen.

Sluiten