is toegevoegd aan uw favorieten.

Verklaring van psalm LXIII. In negen leerredenen.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

io8 VYFDE LEERREDE

ven tot zonden misbruiken, en aldus tot onterin-' ge van Gods heiligen naam.

3. O hoe velen zyn 'er, die den Heere niet pryzen en loven

cc mee hunne woorden, wier mond altyd gefloten is, als zy tot ere van God moeiten fpreken, en anderen daartoe mede opwekken.

0. En hun harte heeft geene eerbiedige indrukken van Gods ontzaglyke hoogheid , heerlykheid en lofwaardigheid.

y. Daarom verheerlyken zy hem ook niet met hunne daden, door hun gedrag, en wandel te- richten tot ere van zynen naam , en dus te doen blyken, dat zy in alles de ere Gods tot hun hoogfte einde ftellen.

a. 'T is waar, fommigen komen nog al redelyk gezet en vrynaarftig op tot den openbaren Godsdienst, zingen mede Pfalmen, en loven den Heere met den mond, roepen hem aan door den gebede en danken hem, doch tonen met hun levensgedrag, dat het alleen gefchiedt uit fleur en gewoonte, en niet in geest en waarheid , even als het huichelachtig Ifraël, van 't welke ftaat aangeteekend Pf. txxvm:'36, 37. zy vleiden den Heere met karen mond, ende logen hem met hare tonge , want haar herte was niet recht met hem, ende zy waren niet getrouw in zyn verbond.

b. Daar zyn ook velen, die geen huis* lyken of byzonder en godsdienst oejfenen, die voor zig zeiven God niet in het particulier dienen, door zyn woord te onderzoeken, en te overdenken, door Pfalmen en geestelyke liederen te zingen , en door met gebeden en dankzeggingen hunne harten en handen in zynen name Qpteheffen,

nog