Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

P7.H00fdft.I.Afd. verdeedigd. '479

gezegd , dat wij zondaars geworden , gemaakt, tot zondaars gefield zijn. —- Wederom; niet dat wij waarlijk zondaars worden , in eenen lijdtlijken zin, of waarlijk tot zondaars gemaakt worden , door iets dat God zou doen. Dit is mede flegts een verbloemd of leenfpreukig voorftel ; cn de zin is alleenlijk , dat wij veroordeeld worden, en behandeld ALS OF wij zondaars waren. Niet dat wij eigenlijk veroordeeld of verdoemd worden; want God verdoemt of veroordeelt nooit waarlijk den onfchuldigen. Maar dit is mede alleen eene verbloemde voorftel ling der zaak. Het is flegts , als ware het verdoemen ; omdat het is een verwijzen tot den Dood, een vreeslijk kwaad , als ware het eene ftraf. — Maar nu ; hier is, in waarheid, geene veroordeeiing of onderwerping aan een verfchrikkelijk kwaad, noch aan eenig kwaad in het geheel; maar, in waarheid, eene toefchikking van eene Weldaad, van eene groote Weldaad.. En dus wordt, in het vertoonen van den Dood , als eene ftraf of ramp , waar toe wij veroordeeld zijn , een ander zinbeeld of leenfpreuk gebeezigd, en wel eene zeer floute; want de Dood , zoo als die ons befchooren is, is zoo verre van een kwaad of ftraf te weezen , dat hij in tegendeel eene Weldaad is , en wel van de verhevenfle natuur , befchikt uit loutere Genade en Liefde — hoe zeer hij ook mooge fchijnen een ramp te zijn. — Dus worden hier de leenfpreuken en zinbeelden vermeenigvuldigd, en als op eikanderen geftapeld;

en

Sluiten