Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

over ROM. VIII: 28*. 33

iïepiebben , ten goede medewerken; —■ met het meeste recht, kon hij, hier omtrend, op de ftelligffce wijs, verklaar en: wij weeten: het was, toch, eene waarheid, van welke niet alleen hij zelf, maar ook zijne mede-Apostelen, ja zij allen, die, met hun, in den Heere Jefus geloofden, volkoomen zeeker warenHet was eene waarheid, die gegrond was op de verheevenfle denkbeelden, die zij zich vormden van de onbegrensde macht, aanbiddelijke wijsheid, oneindige goedertierenheid, en onwankelbaare trouw van 'hunnen Vader en Verbonds-* God, in den Heere Jefus.

Het was eene waarheid, die rustte op het onwraakbaar gezag der Goddelijke Getuigenisfen; daar die, reeds, in de Schriften van het Oud Verbond voorgefteld, en door de verzeekeringen van den Zaligmaaker, meer dan ééns, nadrukkelijk was bevestigd.

Het was eene waarheid, die door eene wolke van Getuigen, en door de ondervinding van alle tijden in het helderde licht was geplaatst geworden, en voor welker ontwijfelbaare zeekerheid zoo veele waarborgen waren, als er, immer, Godvruchtigen in eenen weg van beproeving waren gefield geworden. •

Het was eene waarheid, die , krachtig, geftaafd werd door hunne eigene gewaarwordingen; zij zelC ven

Sluiten