Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EF1ST0LA CRITICA. $1$

klatfrt uit het Griekfche avpmrog , het welk gebruikt wordt voor iemand , die niets uitvoert. De vergelyking, die huschke maakt tusfchen Lib. 1, El. 3 vs. 9, en EURip. Phoen. vs. 310, was ©ok reeds gemaakt door

tmodell, Not. CHt. p. 66.

Over het geheel lchynt de Heer huschke meer belezen te zyn in de Schriften der Ouden, dan in die van zyne voorgangers, welken of opzettelyk, of, iets anders doende, zyne Dichters behandeld hebben. Dikwyls hebben wy het opgemerkt, dat hy een diep ftilzwygen bewaart van de gisfingen van geleerden, die, na burman, zommige plaatzen van propertius, en daar onder ook die, over welken de Heer huschke thans zyne gedachten mededeelt,trachtten te verbeteren ofte verklaaren. By voorbeeld, II, 7, 42, waar f. jacqbs, (in Ep. Crit. ad hkynium , p. 94.) hadt voorgellagen , „ multis femin» cin&a procis : en II , 10, 53 en verv., waar dezelfde Geleerde leest:

Dentibus ut niveum quondam percusüt Adonin ,

Venantem Idalio vertice durits aper. Ulis formofum gemnisfe in faltibus, illuc

Diceris eifufa, tu Venus, isie coma,

en, ter bevestiginge, bybrengt bion , Eid. I, 7. — Wy hadden gaarne het oordeel van den Heer huschke over: deze gisfingen geweten.

Zomtyds hadt hy ook, by de verklaaring van woorden en fpreekwyzen, zich op anderen kunnen beroepen om zich te bekorten , en de herhaaling van reeds gegevene voorbeelden te ontwyken ; zo als by Ne tibi fit. III, 2 , 41, waar hy gronovius , Obf. III: 3, of heyne, ad Tibullum, I, 6, 24, hadt kunnen aanhaalen.

Met dit alles verdient hy grooten dank, en hy zal dien nog meer verdienen, wanneer hy ons fpoedig ook de aanmerkingen van fontein bezorgt. De weinige proeven, ,die hy 'er ons van gegeven heeft, gevoegd by die, welken ons te voren in de Bibliotheca Critica, op de a. p., p. 15 en 21, medegedeeld waren, doen ons na meer

verlangen. Ondertusfchen wenfchen wy dan eene

meer naauwkeurige eorre&ie der proeven , vooral in de getalletters.

Sluiten