is toegevoegd aan je favorieten.

Algemeene vaderlandsche letter-oefeningen, waarin de boeken en schriften, die dagelyks [...] uitkomen, oordeelkundig [...] verhandeld worden.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verhaalen en overleveringen.

6"59

en doel,eene eeuwige vete aankondigen — niet aankondigen — maar verraderlyk hen vermoorden. Boevenftukken kunnen my alleen opbeuren; de deugd drukt my neder.

(Eene Stem roept heesch:) coenraad! coenraad! coenraad!

Coenr. Roept 'er iemand? ——.

Stem. Ga na den put, en laat hem uitfcheppen; en het ligcliaam, dat men daar in zal vinden, begraven.

Coenr. Wee my! is het wezenlyk eene ftem, welke my toeroept; of komt zy uit myn hart voort?

Stem. Coenraad ! coenraad ! hoor my.

Coenr. (Beevend.) Wie roept 'er?

Stem. De geest van uwen Vader.

Coenr. Wee my! {Zich met het gezicht ter aarde •werpende.')

Stem. Ik ben niet de geest van uwen gewaanden Vader, wiens naam gy draagt, die waart nog geduurig, als een dwaallicht, door de onderaardfche gewelven van uw Slot, of zweeft, in de gedaante van een Spook, langs den put, waar zyn ligchaam verrot. Ik ben de geest van den Echtbreeker bartholomeus, die uwe Moeder verleidde, u teelde, en voor zich eeuwig de deuren des hemels floot! Gy zult my vervloeken, want gy zyt in een uur geboren, waarin de Engelen des hemels hun aangezicht afkeerden, om de verfchrikkelykfte aller daaden niet te zien. Ik vermoordde den Man van uwe Moeder , die ons verraschtte, en wierp hem in den put. Laat zyn lyk begraven, op dat zyn' geest rust vinde, en my niet zoo gruwlyk kwelle. Volbreng myn bevel, en beter uw leven, anders zal ik u dezen nacht knypen met gloeijende tangen, of u met myne magere knokkels in het bed verwurgen. Volbreng het! Myn plaaggeest verfchynt,

en fleept my met zich door de lucht. Wee! wee! wee!

Coenr. (.Naa een lang Jtilzwygen.') Lucht! lucht! vervloekt zyt gy, Moeder! uwe onkuischheid was het zaad van alle myne zonden. Weg, van hier, dat de duivel my thans niet verrasfche!"

Zy, die het rondwaaren van geesten ontkennen, zullen zekerlyk het invoeren van deeze Stem af keuren, welke zich alleen op het buitenfpoorigst Bygeloof kan grondvesten. Maar deeze invoering verdient nog meerder afkeuring, om dat de perfoon, wiens geest hier (preekt, geenzins dood, maar nog in wezen, is; zo dat zyn' geest niet waaren kan. Immers, verfcheidene bladzyden verVv a der,