Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

S10 ÏETS over DE altaaren.

Gods goedheid , die zich door eene merkwaardige vetfchyning en toezegging aan hem verheerlykt hadde en een herinnenngsteken aan de vereering, die men God verfchuldigd is. Het is waarfchynlyk, dat de van abraham, genes. XII: 7, 8. XIII: 14. isaak , genes. XXVI: 25 en jakob., genes. XXXlil: 20, opgerichtte Altaaren dezelfde bedoeling gehad hebben, zo als dan in de beide laatlte plaatzen het aanroepen van Gods naam, uitdruklyk met het bouwen van het Altaar verbonden word.

Dan de eerfte oorfprong, de eerfte beftemming, der Altaaren , is toch wel by het offeren , by gevolg in zeer vroege tyden, te zoeken. Naamlyk, men bragt God tot een teken van eerbied en de goede geneigdheden van' zyn

hart, gefchenken; gefchenken, zo als men in de

kindschheid der waereld had , en voor de behoeften

der vroege waereld gefchikt waren , fpyze en

drank. Maar nu was de vraag , op welke wyze men deze gefchenken zou brengen , en het natuurlykfte en eerfte, waarop men moest vallen, was de gedachte, om voor God eene zoort van tafel te maaken, zoo als men gewoon was die in de vroegfte tyden te hebben en te gebruiken ; eene, boven de aarde een weinig verheven, plaats van aarde, zooden of fteenen, aan welke men ge-

voeglyk kon zitten en fpyzen , dezelven van het

gemeene gebruik afgezonderd te houden , en daarop de gefchenken, door welke men de goede geneigdheden van zyn hart omtrent God wilde aan den dag leggen, te plaatzen, en door het verbranden, en wel door den daarvan in de hoogte ftygenden damp,Gode, als 't ware, te doen genieten , waarmede men Hem tevens nog eene andere eer meende te bewyzen. Want het rooken hield men in de oude waereld voor een even zoo algemeen erkend bewys van eer als de gefchenken ; dankgevoel en eerbied omtrent God waren, derhalven, wel de eerfte oorfprong der Offers en Altaaren. Zie hezel, Bibelwerk, Th. I. bey. 3. Mof. 1, a. a. b. *

Uit dankbaarheid gaf men, als 't ware, een gedeelte Van zyn vermogen, en zyne behoeften, aan deszelfs weldaadigen Geever te rug. De Altaaren waren, volgens hunne oorfpronglyke bedoeling, in deze betrekking, by gevolg niets anders dan Tafels , die men voor God , tot een teken van de goede gezindheid van zyn hart, en byzonder van zyne kinderlyke dankbaarheid , met fpyzen, als gefclmken , voorzag. Maar tevens zocht men ook

daar-

Sluiten