Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

iets over de altaaren. 513

- menigvuldige voorwerpen, rondom zich verbreid ziet , bewondert en met verbaazing aanfchouwt, en in dezelve den wyzei , grooten , goeden Schepper zelve zoo naby gevoelt, ö! zeker hier, in den hoogen, wyduitgeftrekten , tempel zyner Natuur, in welke alles zoo luid zyne Godlyke heerlykheid verkondigt, kon men Hem de fchoonfte Altaaren bouwen, en dit was ook waarfchynlyk de eerfte rede, waarom men dit zoo vroeg gebruik , om jehova op bergen offer- en vereeringplaatzen op te richten , behield en navolgde.

Nog een woord van het Altaar van aarde , welk moses vóór de inrichting van den volkomener uitwendigen Godsdienst op hoog bevel moest bouwen , exod. XX: 24 en volgg. Dit Altaar moest, naamlyk,, waarfchynlyk van aarde vervaardigd worden , daar het "op deze wyze overal in de woesteny, en met ligte moeite, gebouwd kon worden , en dus de offeranden daardoor niet opgehouden worden; welk gebeurd zou zyn , als 'er van de ïfraëlieten in de woesteny op elke legerplaats een moeilyker en kunftiger Altaar had moeten gebouwd worden ; derhalven moest 'er een geheel gemeen, met ligte moeite , in weinig oogenblikken , overal te vervaardigen, Altaar opgericht worden ; een Altaar, zoo als het de Stamvaders des volks, een abraham, isaak en jakob, reeds bouwden. Wilde men nogthans een Altaar van fteenen oprichten , zoo moesten flegts, geene gehouwene, maar geheele , fteenen , over welke geen yzer bewogen was, (jos. VIII: 31.) dat is ruwe, onbearbeide, fteenen, daartoe genomen worden, (deut. XXVII: 5.); waarfchynlyk weer daarom, om, door de toebereidzels tot den Godsdienst, den Godsdienst zelve niet op te houden. Om de¬

zelfde redenen moest het ook niet, gelyk by de Egyptenaaren en andere volken wel in gebruik was, zoo hoog gebouwd worden, dat men noodig had, om met trappen, of langs eene ladder, op hetzelve te klimmen , waarby hier nog de gewigtige omftandigheid komt ; op dat de fchaamte van den offerenden Priester van het volk niet gezien zou worden , vs. 26 , wanneer hy naamlyk met eenen trap of ladder op een zeer hoog Altaar opklom; want de Oosterlingen, en byzonder de oude Hebreeuwen , droegen geene broeken. Deze wierden den Priesters, exod. XXVIJI: 42, eerst verordend; en nog heden ten dage werden zy in het algemeen in, het Oosten niet gedraagen.

Oo 3 Ee«

Sluiten