Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3a byv0ecs.els

torie van den uitmuntenden wagenaar begint met het aanvaarden der regeeringe door philips den II t en eindigt met de belegeringe en het ontzet van Leyden; terwyl in het Zevende Deel het verhaal van 's Lands gebeurtenisfen wordt voortgezet tot op den dood van Priiife willem den I. Tot dit tydvak van omtrent negen-entwintig jaaren behooren dus de Aanmerkingen en Byvoegfels, welke in deeze beide Stukjes denNederlandfchen Leezer worden medegedeeld. Over de waardy van deezen letterarbeid der in den bovenftaanden titel genoemde lleeren hebben wy , weinig tyds geleden , onze gedachten gezegd (*) , en vinden ons hier weder bevestigd in ons gevoelen, raakende de dankbaarheid, den geleerden mannen verfchuldigd, welken deeze taak op zich hebben genomen. Het is onnoodig daarover uit te weiden in breedvoerige betuigingende geachte Schryvers zullen ze niet vorderen; en het uitkippen van eene en andere byzondere plaatze , om ze den Leezeren te toonen als monfters van de doorgaans (f) uitmuntende Waareu , welke hier hun worden aangeboden, zal wel rykelyk zo veel ruimte wechneemen, als wy met gcvoeglykfieid daartoe kunnen befpaaren : terwyl wy tevens oordeelen de lengte onzer berichten en uittrekfclen liever naar de waardy dan naar de dikte der boeken te moeten regelen.

Gaarne zouden wy een begin maaken met de eerfte Aanmerkinge van het Zesde Stukje , over het bewaaren en byeenzoeken der Privilegiën en oude Handvesten, indien niet de lengte dier Aanmerkinge ons noodzaakte daarvan af te zien. Aileenlyk kunnen wy niet nalaaten ons te bedroeven over de weinige zorge , welke men heeft faangewend, om veele Gedenkfiukken der Oudheid in tyds aan het verderf te ontrukken (|). Door zulke achteloosheid zyn, misfehien, niet weinige papieren van aanbelang, welke aan fommige deelen van 's Lands oude Gefchiedenisfen aanmerkelyk licht konden byzetten, on-

her-

(*) Algem. Vaderl. Letteroef. voor 1703, r St. bl. 536, enz. 587, enz,

(f) Doorgaans zeggen wy; wanc niemand kan eifchen, niemand zal verwachten , dat in een Werk vau deezen aart alles even gewigtig of belangryk zal weezen.

(|)Zie, bl. 8, het verilag, daarvan gedaaa in het Jaar 15899 en, hl. 10, de aantekening van den Ueere c. schaep.

Sluiten