Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

»2fj ALGEMEENE GEHOORZAAMHEID

ven aan Item, die zyn mantel heeft weggenomen, of, wanneer zyn vyand hem op de rechter wang Jlaat, de flinker toe te keeren (*). Nogthans alle deeze dingen, als wy op de woorden alleen letten, worden in het Éuangelie

geboden. Wy allen hoopen en gelooven, dat het

voor eenen Ryken mogelyk is zalig te worden, en voor een groot Zondaar dat hy zich bekeere; doch flaa het oog in de Heilige Bladeren; deeze leeren u, dat het getnaklyker valle voor een Kameel om te gaan door het oog van een Naaide , dan voor eenen Ryken om in het Koningryk der Hemelen te komen: en dat, indien een Luipaard zyne vlekken, en een Moorman zyn huid, kan veranderen, zy, die geleerd hebben kwaad te doen, zullen kunnen leeren goed te doen (f).Deeze uitdrukkingen, letterlyk genomen, fluiten eene voljirekte onmogelykheid in. Nogthans wilde, zo ik geloof, geen Uitlegger ooit iets meer uit deeze fpreekwyzen trekken , dan eene zeer verregaande Bezwaarlykheid. Volgens welken regel van Oordeel- of Uitlegkunde zyn wy dan verpligt de Woorden van jacobus , over welke wy handelen, ftrikter dan de evengemelde op te vatten. Dezelve hebben niet min eene zedelyke verklaariiig noodig, en zyn 'er even zo zeer toe geregtigd als de ftraks bygebragte, of eenige andere plaatzen der Heilige Schrift.

Bedenkt alleen met eenige opmerking , wie de geheele Wet zal houden, en in één Jtruikelen, die is fchuldig aan alle. De meening kan met geene mogelykheid weeeen, dat hy, die alleen in één punt overtreedt, daar door daadlyk alle punten overtreedt: dit is eene handtastlyke tegenzeggelykheid. — Het kan ook met geene mogelykheid betekenen, dat hy, die in één punt overtreedt, in het oog van god even Jtraffchuldig is, en , by gevolge, in eenen Toekomenden Staat even zwaar zal gejtraft worden, met hem die in alle punten overtreedt: want dit is baarblyklyk valsch en onregtvaardig; ftrydig met alle beginzelen van Rede en Billykheid ; ftrydig met alle onze denkbeelden van gods Zedelyke Eigenfchappen; ftrydig met den geheelen inhoud van het Éuangelie , 't welk eenpaarig eene daar tegenover geftelde Leer predikt.

Het isr, derhalven, niet alleen billyk, het is volftrekt

nood-

(*) Luk. VI: 30. Matth. V: 29, 30, 39, 40. li) Matth. XIX: 34. Jerem. XIII: 33.

Sluiten