Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IN VIER BESPIEGELINGEN. zjf

„ myce Zusters. Schreit niet, fchreit niet... zoekt door " gebeden noch jammerklagten myne vlotte ziel te rug

te houden. De tent des lichaams wordt vervvoest, en " jk reikhals na de verlosfmg uit mynen kerker. Wei-

ni°e oogenblikken geleeden , en ik was reeds opgeZ klommen tot den ingang der zalige gewesten, waar ' geene traanen, dan die van liefde en vreugde, bekend

zyn " Naa een weinig tusfchenpuozens, doet Lazarus een verhaal, wat hy, geduurende zyne bezwyming, hadt gezien en ondervonden. „ lk was daar ftraks (dus fprak

hy) als buiten my zei ven, door den aangenaamen " droom, waarmede my een Engel Gods verkwikt hadt. !, De duisternis van den nacht bedekte my - jaa geen ,, ftraaltjc licht drong door de opeengepakte donkerheid , hcenen. 't Was de donkerheid des grafs, die my omH ving. Myn geest was geheel kalmte en rust een

ftilte, grooter dan die van den nacht de ftilte

I, des grafs, heerschte rondom my. In het midden dier „ duisternis, in het midden dier ftilte, omringde my eens„ üags een licht, helder als de zon, maar tegen welks „ glans ik kon opzien. In het midden van dien glans „ daalde met een zagt geruisch, dat in aangenaamheid „ de lieflykfte muziek, die ik oo:t op aarde hoorde, „ verre overtrof, een hemelsch Wezen tot my neder. „ Alle de voortreflvkheden van bet menschlyk gelaat

en geftalte verecnigden zich in hem, en volkomenheid den boven het menschlyke, die geen menfehentong

kan uitfpreeken , aanfehouwde ik in dien bode des V Hcils 't Was of hy myne handen aanvatte, maar de ?,' drukking was zo zagt als de aanraaking van een wes„ tenwindje in den lenten avond. Met de vriendlykheid „ van eenen Broeder, met de gulhartigheid van eenen „ ouden bekenden vriend, fcheen hy my te omhelzen. „ Ik voer met hem op langs een weg van zuiver licht, „ en zweefde met hem langs nooit geziene paden. Naa

lang zweevens, zeide myn reisgenoot: daar gmdsch,

„ daar gindsch woonen de vrienden Gods hoort gy

„ hunne juichftemmen niet. En Iner klonk het Heilig, , Heilig, driemaal Heilig! my in het gehoor. Een heer-

lykheid, waardoor mvne oogen febemerden, Itraalde „ van die woonfteden. Myn gezigt gewende allengs aan „ die heerlykheid — en ik zag gelukkige hemelbur„ gers van aangezigt tot aangezigt. Ik zag myne dier-

baare Anna" (deeze was Lazarus's overledene huis" vrouw.)

Sluiten