Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rapport. 52*

Idenkelyk, dan de voorige, befchouwen. Dan uit de waarineemingen, op verfchillende plaatzen gedaan, heeft zeer wel een merkelyk verfchillend befluit kunnen worden [opgemaakt, zonder daarom de naauwkeungheid van een der Waarneemeren te verdenken; dewyl deeze Ziekte, gelyk alle Epidemien en Epizoölien , door den zamenloop van doorgaans voor het oog verborgen omftandigheden, op verfchillende plaatzen, hoewel gelyktydig, zeer veel in hevigheid, en dus, in den aart der tekenen en toevallen, merkelyk kan verlchillen. Daar men intusfchén thans in 't geheel niet meerder van den voortgang deezer Ziekte hoort, fchynt men te moeten denken, dat de Leydfcne Hoogleeraar, over het algemeen, nader aan de waarheid is gekomen, dan wel anderen, die de tegenwoordige Veepest, als volkomen overeenkomftig met de voorige, hebben befchouwd: dewyl dezelve alsdan, naar alle waarfchynlykheid, reeds alomme, in dit Gemeenebest, zoude zyn uitgebrooken; daar men integendeel thans van dezelve niet meerder hoort fpreeken. m

Onder andere aanmerkelyke zaaken , welke in dit Bericht voorkomen, verdient onze byzondere aanmerking dat geen, het welk door den Schryver, aangaande den aart der befmetting deezer Ziekte, wordt voorgefteld; zynde Z H Gel.van gevoelen, dat de befmetting van kwaadaartiae Zinkingskoortfen, Rotziekten, enz. alleen maar door levende , en niet door doode, lichaamen kan worden medegedeeld. Tot ftaaving van dit gevoelen beroept zich de Schryver, in de eerfte plaats, op de menigvuldige ontledingen van menfehelyke lyken, die door diergelyke kwaadaartige en befmettelyke ziekten waren weggeüeept, door hem en door zyne leerlingen volbracht, zonder dat hen I daar door ooit iets kwaads is overgekomen. Dan in t byzonder ten opzicht der Veepest deelt hy mede de bevinIdingen van een aantal lieden, die, fchoon zy in de naby1 heid hunner wooningen de vellen en afval van verftorven I Hoornvee verzamelden, echter hun levend Hoornvee geIzond bewaarden. Onder anderen verhaalde een Schoent maaker, onder Wychem, dat hy in de voorige Epidemie I veel huiden van verftorven Vee in de nabyheid zyner i levende Koeijen had gewoogen, en ook dagelyks met I dezelfde morsfige en bebloede Kruiwagen, met welke de I vellen wierden weggebragt, het groen voeder voor zyne I beesten had aangevoerd, zonder dat 'er iets nadeehgs uit I was gevolgd. Nog verhaalt de Hoogleeraar het geval lett. 1797. no. 12. Mm van

Sluiten