Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2ü§ manasse's afg odendie'nsï

was. i Beginzels, die wortel moeten gefchooteft

hebben , ondanks alle werkzaamheden ten tegendeele: immers wy zullen dezelve zien boven komen, en vrust draagen.

Zo veel oordeelde ik noodig te melden, ter aanvullinge van 't verhaal wegens den jeugdigen leeftyd des Zoons van ïjiskia en hephzi-ba, die, in het voor ons liggend I Gefchiedboek, onmiddelyk te voorfchyn treedt als de I Godvergeetendfte Vorst, die ooit te Jerujalcm ten Ryksthroon fteeg, en wiens Afgodifche Gruwelen van het 3 I tot het 7 Vers vermeld worden.

De dag zyner Throonbeklimming was de dag van den I val des waaren Godsdiensts. Het begin zyns Ryksbeftuurs I levert een tafereel op volmaakt het tegenovergeftelde van I 't geen wy onlangs van dat zyns Vaders ophingen.

Zonder ons aan eenige vergvooting fchuldig te maaken, I mogen wy zeggen, dat hy, niet te vrede met de haat- I lykfte der voonge Koningen, in boosheid, in Afgodeff, in heiligfchenms en dwinglandy, te overtreffen, alle zyne poogingen in- en zamenfpande, om het geheele Herftel- \ hngswerk zyns Vaders te bederven. Zo zeer als die goede Vorst, by het aanvaarden zyns Ryksbewinds, zich bevlytigd hadt om den Afgodendienst te verdelgen, en ; den Eerdienst des éénen waaren gods te herftellen, zo 1 zeer was manasse in de weer, om den waaren Godsdienst 3 uit te rooiien, de Deugd te verkragten, de oude verfoeizelen der Drekgoden te doen herleeven, en zelfs nieuwe daar aan toe te voegen.

Dat dit geen grootfpraak of te zwaai- en te zwart ge- ] kleurd is, wyzen de reeds aangeduide Verzen, manasse's 1 gruwelen befchryvende, ten vollen uit.

De Leezer zal my wel willen verfchoonen van eene ver- I klaaring te geeven deezer meest alle zo dikwyls in de Gewy- 1 deGefchiedenis vermelde gruwelen. — Hy zal zich, hoopen I wy, vergenoegen meteen korte voordragt, die deeze aan- I eenlchakeling van wanbedryven in hellen dag zet, en het

verzwaarende daar van onder het oog brengt. Te meer I

zal ik bier mede volftaan kunnen: dewyl de aart deezer voordragt niet gedoogt, dat wy ons inlaaten tot een Oudheidkundig Onderzoek van deeze en geene duistere byzonderheden , 't welk in 't einde tog op een enkel misfchien zou uitloopen. De gebruikte benaamingen hebben zo veel roests der Oudheid, dat de fcherpfte vyl der Oudheidkunde 'er verftompt op afftuit.

Ma-

Sluiten